Lijden doet schrijven

MailHome

 

***

(Hans Warren)

Soms, deze overvloed van luxe leven,
vin d'Ai en kaviaar, de tong gestreeld,
tegen de borst eindelijk weer een zwarte kop
die toegeeft in een lichte roes,
monden die elkaar vanzelfsprekend vinden,
het spel dat volgt. En het stille besef
dat dit begeerde lijf, dat langgezocht gezicht
straks weer verloren zijn, dat na een nacht, een douche,
een goudkleurig ontbijt, een al vervreemde lach,
zich in het licht adieu de wrevel mengt :
wat dacht je anders, ken je niet
de spelregels, je leert het nooit

 

Ontwaken

(Hans Warren)

Hoe houd ik deze momenten vast :
je stoot me wakker, maar je slaapt nog,
de morgenzon over je naakte tors,
je gezicht, je trotse mond
met lippen van dat paarsig rood
zoals men alleen in het zuiden vindt ;

je wimpers neer, altijd toch
zwaluwvleugeltjes of zoiets,
en die ontzaglijke afstand tussen ons,
hoewel ik je haar zie bewegen
telkens als ik ademhaal.

Heel, heel stil zo maar liggen
en kijken, kijken met de intensiteit
van een afscheid. Dan leg je je arm
om me heen, maar je slaapt verder,
het is warm, en mijn schouder
begint langzaam naar jouw arm te geuren.

Dit is misschien het hoogste geluk dat ik ooit met je smaken zal.

 

Anoniem, 11de eeuw

 

Hebban olla uvogala nestas bigunan,

hinare hic enda thu,

wat unbidan we nu?

 

 

Nooit gesnapt waarom onze leerkracht Nederlands maar bleef volhouden dat onze goeie ouwe Guido in het gedicht hieronder 'De Vriendschap' bezong. Dit is gewoon een keigeil gedicht! :-) Wedden dat die bloem geen doornen had?

DIEN AVOND EN DIE ROZE

 

'k Heb menig uur bij u
  gesleten en genoten,
en nooit en heeft een uur met u
  me een enklen stond verdroten.
'k Heb menig menig blom voor u
  gelezen en geschonken,
en, lijk een bie, met u, met u,
  er honing uit gedronken ;
maar nooit een uur zo lief met u,
  zo lang zij duren koste,
maar nooit een uur zo droef om u,
  wanneer ik scheiden moste,
als de uur wanneer ik dicht bij u,
  dien avond, neêrgezeten,
u spreken hoorde en sprak tot u
  wat onze zielen weten.
Noch nooit een blom zo schoon, van u
  gezocht, geplukt, gelezen,
als die dien avond blonk op u ,
  en mocht de mijne wezen !
Ofschoon, zo wel voor mij als u,
  -wie zal dit kwaad genezen ?-
een uur bij mij, een uur bij u
  niet lang een uur mag wezen ;
ofschoon voor mij, ofschoon voor u,
  zo lief en uitgelezen,
die roze, al was 't een roos van u,
  niet lang een roos mocht wezen,
toch lang bewaart, dit zeg ik u,
  't en ware ik 't al verloze,
mijn hert drie dierbre beelden : u
  dien avond -- en -- die roze !

 

Guido Gezelle,

1 november 1858